Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duidelijk' is de voorstelling niet.

„De Hel zal liaare dooden opgeven." Welke dooden? alleen toch de goddeloozen? Want Muller heeft eerst gezegd, dat de rechtvaardigen reeds in de eerste opstanding — vóór het duizendjarige rijk zullen opstaan. Hoe verder de redding uit dien vuurpoel tot stand komt, zegt Muller niet. En uit het laatste deel van dit citaat blijkt, dat „de laatste oordeelsdag" toch niet de laatste is. (')

En sprak Heystek van een volkomen beslissing na den afloop van het duizendjarige rijk" (2), dan was ook dat onjuist uitgedrukt, want eenparig belijden allen dit geloofs artikel: Eenmaal worden allen zalig. Alle machten, die zich nu — tijdelijk — tegen God verzet hebben, zullen zich eenmaal aan Hem onderwerpen en God zal zijn: alles in allen. „Uit Hem, door Hem", maar ook „tot Hem zijn alle dingen."

We staan ten slotte stil bij die verwachting van een Algemeene Zaligheid.

Langs verschillende wegen konden Muller en zijne geestverwanten daartoe komen.

De Inleiding van „het eeuwig evangelie" stelt het reeds met een bijbelwoord: ,.De Heere maakt ieders werk, schoon te zijner lijd ; en daar is een woord uit zijnen mond gegaan, dat alle knieën, die in den Hemel, op de aarde en onder de aarde zijn, Hem gebogen zullen worden, en alle tongen Hem belijden zullen."

Valk gaat uit van Gods liefde: „onze leer der herstelling aller dingen naar Hand 3: 21 is gegrond op Gods deugden en volmaaktheden, die te zamen uitmaken: Liefde." (3)

Zoo spreekt ook Muller: „dewijl zijne liefde niet duldt, dat zijne, door Hem voor zaligheid vatbare geschapen redelijke schepselen, eindeloos in hunne onherboren rampzaligen staat zouden kwijnen, zal Hij dezelve ook bevrijden van de dienstbaarheid der verderfenisse en toebrengen tot de eeuwige gelukzaligheid." (4)

(') In „de waarheid van Gods vrijmagt," zegt Muller: „Het gantsche schepsel (daar ik nogtans van den tjjd wanneer en de wijze hoe, in deszelt's omstandigheden niet weet te zeggen) door God nog eens zal gered en verlost worden, blz. 24. (*) De ware leer der Zaligheid blz. 54.

(3) Briet van '24 July 1849.

(») E, E. blz. 33.

Sluiten