Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het komt mij voor, dat we eenv oudig ook deze opvatting moeten afleiden uit hun grondbeginsel : „alles uit, door en tot God."

De mensch, geschapen naar Gods beeld, geleid tot steeds hoogere ontwikkeling, ook door de zonde, moet eenmaal zijne bestemming bereiken : de volmaaktheid. Buiten God is er immers geene macht, die dit zou kunnen beletten.

Ik vergelijk dan hunnen gedachtengang met den weg, waarlangs ook Origenes was gekomen tot zijne leer der apocatastasis — de noodzakelijke gevolgtrekking uit zijne grondgedachte : „de onverstoorbare eenheid van al het geschapene met den Schepper."^)

We moeten het leerstuk van de algemeene zaligheid rekenen onder de meest karakteristieke leerstellingen der Broederschap. Het is de kroon van hun stelsel, tevens de meest consequente oplossing van de nog overgebleven problemen.

En al zijn niet allen even duidelijk in hunne beschouwingen van deze wederherstelling, voor allen geldt Mullers woord : „al zien of doorgronden wij zulks nog niet geheel in alle hare deelen, evenwel is het zeker, want „eenmaal zal alle vleesch de zaligheid Gods zien" volgens het getuigenis van den Euangelist Lucas bij Cap. 3: 6." (2)

Eenparig en stellig belijden allen hun geloof in de eindelijke zaligheid. Ary Goud begint er zelfs zijn vraagboekje mee : „Vr. 1. Zullen alle menschen zalig worden"? Het antwoord is kort en krachtig: „Ja 1"

En het motto van zijn boekje is: „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch ! Gen. 6 : 3."

Muller geeft als bewijsplaatsen voor zijn gevoelen: Rom. 11: 32; 1 Gor. 15: 21—23. (Muller heeft hier voornamelijk het oog op vs 22 : alzoo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden");

Rom 5. (waarschijnlijk is het 18e vers bedoeld : „gelijk door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis, alzoo ook door ééne rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens"); Philip. 2 : 10 en 11 ; Eph. 1 : 10; Tim. 2 : 4 en 6 en 4 : 10. (3)

(') God is ook bij Origenes: „fons ex quo initium totius intellectualis naturae.'' de principis 1, 1, 6.

Vergeljjk ook, hoe bjj Origenes, Gods gerechtigheid en goedheid op den voorgrond geplaatst worden — zjj zjjn geen tegenstellingen, maar zjjn nauw verbonden, vgl. Loofs Dogmengesch. Ho 11. vertaling door J. Quast Hzn. Gron. 1902 blz. 122.

(») E. E. blz. 33.

(J) Muller vraagb. vr. 15.

Sluiten