Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Goud noemt behalve deze teksten nog 2 Cor. 5: 19; Col. li 10; Hebr. 2: 9 en 1 Joh. 2: 2. («)

Na het citeeren van de genoemde bijbelplaatsen zegt Muller:

„Edoch, het allerkrachtigste bewijs hebben wij in ons zeiven, want God heeft in onze zielen een onuitwischbaar kenmerk, gevoel, vatbaarheid en overtuiging voor de waarheid geplant."

Hoe hij hieruit echter de algemeene zaligheid argumenteert, is wel wat duister. Mogelijk redeneert hij bij zichzelven aldus: „geen zondeval heeft in eenig mensch de goddelijke kiemen geheel kunnen dooden, de vatbaarheid voor de waarheid bij allen is echter tevens de vatbaarheid voor verlossing — de waarheid maakt immers vrij? —" Ik zie echter niet hoe Muller met dit „allerkrachtigst bewijs" verder kan komen dan tot eene algemeene vatbaarheid voor verlossing. H e ij s t e k zegt:

„Wij hebben een drievoudig snoer voor de herstelling van allen en slechts een verzengde schijndraad daartegen.

Vóór hebben wij: 1° de deugden en volmaaktheden van een geheel alleen regeerend wezen.

2° de zuivere goddelijke rede.

3° de gansche natuur, duizende beelden en gelijkenissen en eene menigte uitdrukkelijke bijbelplaatsen en slechts hebben wij in schijn tegen, eenige bijbelplaatsen, welke goed verstaan zijnde nog de herstelling aller dingen bevestigen." (2) Wat Heijstek met die „zuivere, goddelijke rede" bedoelt, is waarschijnlijk : de door Gods waarheid verlichte menschelijke rede. Duister is ook onder 3o: „de gansche natuur." Bedoelt Heijstek : de natuur (het algemeene karakter) der Schrift? In dit laatste geval heeft hij onder 3° een opklimmende argumentatie uit de schrift. Het algemeene karakter der schrift wijst ons heen naar de algemeene zaligheid, vele beelden en gelijkenissen duiden ze zijdelings aan en eindelijk : een menigte bijbelplaatsen, spreken er uitdrukkelijk voor.

Onder die plaatsen, die „in schijn" tegen de algemeene zaligheid strijden, noemt Heijstek de uitdrukking: „onuitblusschelijk vuur." Hij zegt:

„Als wij het vuur in deszelfs eigenschappen kennen, dan is dat zelfs een bewijs, dat eens alle menschen hier of

(') Goud vraagb. vr. 1.

(') Ware leer der zaligh. blz. 59.

Sluiten