Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Levens, dat als eene rivier uit Gods troon vloeit; en is zoo klaar als kristal, aan welkers beide zijden, den Boom des levens staat, wiens bladeren zijn tot genezing der Heidenen («). Zijnde dit water, eigenlijk, eene reine sprake , in dit nieuwe Jeruzalem, en eene gezonde leer, voor welke alle duisternisse en zwarigheden der oude leerstelsels worden verlicht en opgeruimd." (')

Laat me ten slotte een geheele paragraaf uit Mullers „Eeuwig Evangelie" weergeven, waar de schrijver — resumeerende, wat hij tot hiertoe heeft willen aantoonen — zóó door zijn onderwerp wordt meegesleept, dat zijn betoog overgaat in een ongewoon, diep gevoeld loflied.

God is lietde! 0 Eng'lenstem,

Menschentong verheerlijkt Hem.

Toen de leer van Jezus, te weten de waarheid, mjj begon to verlichten, stierf ik. Toen Hij, namelijk Jezus, in mjj opstond, daalde ik neder in den schoot van zijnen en mijnen vader! Maar vreesseljjk was voor mjj dien weg, voor en aleer mjj volkomen overtuigend en zeker bekend was, dat de bedoelingen van vader en zoon zich alleenlijk daar henen uitstrekten, om mjj het eeuwige zalige leven te geven. Met vree» en schrik daalde toen, oogenblikkeljjk, mijne ikheid neder; maar zulks geschiedt zijnde, waren ook de vreeze en schrik, bjj mjj, geheel verdwenen, terwijl de vreugde, die Christus in mjj werkte, en mij deedt verlevendigen in het nieuwe ik, mjjn hart verheugde in den Heiligen Geest, of in de kracht der waarheid.

Welke zaligheid! van den troon der menscheljjke ikheid te mogen nederdalen in den troon der Godheid, alwaar niet anders dan liefde, licht, waarheid, leven en zaligheid te vinden is. Hare magt alleen kan ons versterken en troosten in het lijden en sterven aan den ouden Adam of den natuurlijken mensch, waarin een groot loon ligt opgesloten; want het einde van dezelve is de zalige onsterfelijkheid.

Wie zoude niet verkiezen, zoo zyn aardsch gezind leven te verwisselen voor zulk eene nederdaling in den troon der Goddelijke liefde? Dan, de natuurlijke mensch verneemt niets van den geest Gods (a). Hjj kan, gevolgeljjk, uit of door zich zeiven zulks niet verkiezen; maar wanneer hjj daartoe in zich eene neiging gevoelt, zoo is het de God der liefde alleen, die in hem nederdaalt, en die hem daartoe, reeds voor den aanvang der wereld heeft uitverkoren.

Uit zuivere liefde, door zjjne alles vermogende magt, heeft Hjj alleen dat werk verrigt en, dewjjl zjjne liefde niet duldt, dat zijne, door Hem voor zaligheld vatbare geschapen redeljjke schepselen, eindeloos in hunne onherboren rampzaligen staat zouden kwjjnen, zal Hjj dezelve ook bevrijden van de dienstbaarheid der verderfenisse, en toebrengen tot de

SE. E. blz. 31—32. (a) Openb. 22 : 1 en 2, > 1. Cor 2 : 14.

Sluiten