Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat vragen en antwoord krijgen, tot zelfs hun naamteekening toe. Als nu zoo'n man, overlegde zij, zoo'n professor in die dingen is, zou hij zich dan de moeite nie: willen geven om met die vrouw uit Dort, als zij in den Haag kwam, eens te praten, om zoo elkaar voort te helpen in het vinden van de waarheid ?" (')

Hoe naief! De heer Revius ontving haar minzaam en had schik in hare opmerkingen en hare verhalen van den nu uiteengeganen broederkring. „Ja, mijnheer, het is zooals ik zei, onze Zwijndrechtsche broederschap is wel onder moeten gaan, maar we waren toch voorloopers van wat ze nou de Moderne richting heeten. Ik ben de laatste van onze gemeente en al in de zeventig; maar u weet niet hoe blijmoedig en dankbaar ik ben, dat ik het beleven mag, na zoo'n halve eeuw onze eigen gedachten weer te zien opgaan in een nieuw licht, en hoe gelukkig ik mij gevoel, dat ik bij zulke kundige en verlichte menschen, als we te Leiden onder de professors en dominees hebben, en ook bij u, mijnheer, toegang krijg en zoo vrij mag komen praten." (2)

We vinden Maria hier dus weer in een andere sfeer van gedachten. Ook hare geestelijke ontwikkeling is niet stil blijven staan. Zij voelt zich thans geheel thuis bij de modernen en leest ijverig de „Dageraad."

Zij stemt wel niet geheel met de materialistische leer van dit tijdschrift in, dat kon zij niet (s); maar, dat zij, onder meer, de beslist-deterministische beschouwingen van de broederschap er in terugvond, moet haar hebben aangetrokken.

Voor den heer Revius spreekt zij 't uit: „Ze zeggen, dat de Dageraad materialistisch is, en ik hecht bovenal aan den geest in de stof, maar ik heb de mannen van de Dageraad lief, omdat ze net als onze broederschap en als Jezus en de Apostelen, de

doornenkroon van wegbaners tot de waarheid dragen Als ik

tegenwoordig zoo bij de liberale Dominees in de kerk zit en alles zoo verstandig, heelemaal in mijn geest, vrij hoor uitleggen,

(l. Anagr. blz. 122.

(') Anagr. blz. 124-125.

(•*) Een staaltje van grof materialisme kon Maria lezen in dienzelfden jaargang, als waarin zij schreef. H. J. Bemin schrijft (blz. 89) „hebt gjj echter eene ziel, dan wil en kan ik u er niet van berooven en wensch er u geluk mede. Ik ben zeker, dat ik ze niet heb. Ik zou mij voor de scheikunde en de physiologie schamen, het tegendeel te beweeren." Dat moet zelfs Maria tegen de borst gestuit hebben.

Maar als zij las (blz. 87): „Zjj [de mannen, die de waarheid zochten en vonden] gaven wat zjj hadden, konden en moesten geven, zooals de zijdeworm zijde spint", dan zag zjj eenvoudig hare eigene gedachten voor zich staan.

Sluiten