Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitstrekt, men komt cindeljjk aan iets, dat uit en door zich zeiven bestaat hetwelk wij God noemen. Al wat nu bestaat ol bestaan heeft, moet noodzakelijk door Hein bestaan en ook onderhouden worden, en dat leven, dat uit en door zich zelf bestaat, zoo heett dat leven alles met dat leven bezield, waardoor alles zich beweegt en leeft.

AU ik nu mijn oog in 't heelal laat gaan, dan is het kleinste grasscheutje met den grootsten eik in een nauw verband en maken te zamen een keten uit, waar geen schalm van gemist kan worden ; evenzoo het kleinste insect met het grootste dier; ook de mensch, de hoogste rang, die hier bereikt kan worden, is evenzoo in betrekking met den laagsten rang, en zoo maakt alles te zamen één geheel uit. Als nu dat leven, waardoor alles te zamen werkt, zich in den mensch ontwikkelt, als een éénig, almagtig, alomtegenwoordig en alles bezielend leven, dan geen verantwoording voor God, daar alles aan het doel van dat leven beantwoordt, en daar de mensch met al zijne beweging zoo geheel afhankelijk van dien levenden, alles bezielenden God is, zich niet roeren of bewegen kan. Bestaat er dan geen kwaad? Neen, er kan geen kwaad bestaan ; een volmaakt wezen kan geen kwaad voortbrengen. Echter, zoo lang dat leven zich niet in den mensch ontwikkelt, en zoo lang de mensch dat zoogenaamde kwaad, dat werkelijk voor den mensch kwaad is, zoolang hij in de duisternis leeft, niet anders kan begrijpen, dan tegen God te zondigen, kan het niet anders, o[ hij moet denken, dat God hem zal straffen. Evenwel straft de mensch altijd zichzelven, want iedere daad, die hij verrigt, gevoelt hjj in zijn binnenste goed of afkeuren. Kon nu de mensch gelooven, dat dat zoogenaamde kwaad slechts een middel was tot zyne ontwikkeling, hij zou zjjn Schepper danken, dat hij zoo wijs met gebreken en tegelijk met de geneesmiddelen, om van die gebreken verlost te kunnen worden, hier geplaatst en voortgebracht is, want hoe zou de mensch ooit het goed kunnen waardeeren, als hij geen twee eigenschappen in zich vond, die nogtans uit ééne en dezelfde bron oorspronkelijk zijn. Men zal vragen: Is God dan oorzaak van de zonde? Ik kan anders geene oorzaak vinden van die vermeende magt; dat de mensch uit of door zich zeiven iets kan doen, is van nul en geene waarde. Er is maar één almagtig God, die alles bezielt en geene goeden en kwaden, als twee rijken, tegen elkander verdeelt. Neen, elk mensch leeft en beweegt zich in God, en dus geene aanneming van persoon bij God; de hoogste en de laagste rang zijn bjj God van evenveel waarde, omdat het gansche heelal beantwoordt aan dat doei, waarvoor het geschapen of geworden is. Als men een huis bouwt en er moet een fondament gelegd worden, dan zijn er heyers noodig, om de palen in den grond te hejjen Zou nu de metselaar de heijers benijden omdat zij plaats voor hem gemaakt hebben ; evenmin zal de timmerman den metselaar benijden, omdat deze plaats voor hem gemaakt heeft, en zoo vervolgens de schilder, behanger, meubelmaker, sieraadmaker, totdat het geheele huis voltooid ia. Dat alles was immers tot hetzelfde huis dienstbaar, en alles beantwoordde aan het doel, en niet één kon gemist worden. Als die waarheid goed begrepen en verstaan wordt, dat alles uit God is, dan zal de mensch verlost worden van dat slaalsche juk der dienstbaarheid ; hij zal leven in de vrije natuur en zjjn God zien van aangezigt tot aangezigt; alles, wat hy ontmoet, zal hem dierbaar zijn, omdat hg zjjn Schepper er in erkent; ja. hij kan in die erkentenis leven en den dichter nazeggen:

Sluiten