Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kleeding van de Zwijndrechtsche Broederschap,

in 1816 te Waddingsveen gestigt ten huize van Schout Valk.

Vervolging, rechterlijk verhoor, gevangenschap was hun lot; totdat in 1818, op voorspraak van Professor H. W. Tydeman, Willem 1 hun ongestoorde uitoefening van nijverheid en godsdienst toestond.

In 1832 is deze gemeente door ontaarding harer beginselen uiteengegaan, en het is de laatst overgeblevene van hen, die dit hier nederschrijft op haar 76ste jaar. (')

Maria genoot in Leiden. Nutslezingen en haar Zondagsche kerkgang bij mannen als Scholten en (haren geliefkoosden predikant) Van Gorkum waren haar een feest.

Altijd nog begeerig naar helderheid, altijd eerlijk.

„Eens was zij aan een modernen leeraar, dien zij een kind had hooren doopen, gaan vragen, hoe hij, bij ontkenning van het leerstuk der Drie-eenheid, zulks in den naam van Vader, Zoon en Heiligen Geest kon doen. En ze behoefde geen spijt van hare vrijpostigheid te hebben, daar zij, minzaam ontvangen, hare bezwaren opgelost zag, zoodat zij bevredigd zijn huis verliet." (2)

Jammer genoeg verhaalt Anagrapheus niet, hoe hare bezwaren zoo bevredigend werden opgelost.

Het duurde wel wat lang eer Maria, met hare geavanceerde begrippen en zonderlinge gewoonten, op goeden voet was met de eerzame hofjesdames, maar ten slotte ging het toch en won zij veler harten.

Een donkere schaduw wierp zich nog over hare laatste dagen. De bankier, aan wiens zorgen zij haar kleine kapitaaltje had toevertrouwd, ging er van door. Al beefde haar het hart — zij was krachtig genoeg om ook dezen slag te dragen, 't Verhaal van Anagrapheus is treffendë eenvoudig:

„Zoo ging ze, haar schreden huiswaarts richtend, op de Hooglandsche Kerkgracht zijn woonhuis voorbij, en terwijl ze van onder tot boven haar blik langs den gesloten gevel liet gaan, prevelde ze: „Man, je hebt mijn geld wel mee, maar toch ben ik nog rijker dan jij; waar ik vrij loop, durf jij niet eens je voeten zetten.''

(') Anagr. blz. 131. Waar Maria's werk te land gekomen i», weet ik niet Anagrapheus verhaalt, dat Baron van Heemstra het aankocht voor zijn kabinet van zeldzaamheden.

(*) Anagr. blz 133.

Sluiten