Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het heette bij de dorpsgenooten, die niet tot de Nieuwlichters behoorden, dat de „ruilebuik" die boodschap van wegtrekken had overgebracht. Die „ruilebuik" was een schipper, die in zijn vaartuig zoowat ruilhandel dreef. Hij heette Heystek — misschien dezelfde, die het vragenboekje had opgesteld ['] — en was tevens de reizende agent der Zwijndrechtenaars of Nieuwlichters.

Hij nu was de zendeling geweest, die hen had opgewekt.

Een vreemde onuitsprekelijke opgewondenheid maakte zich toen van deze Nieuwlichters meester. De dweperij, die zoolang had gesmeuld, vlamde tot een groot vuur op. „Wij worden geroepen" zoo klonk het. De heer Oort, toen hij het eerst er van hoorde, ging dadelijk naar den ouden Dirk Exalto.

^-„Is het waar, gaat ge weg?" zoo vroeg de predikant. Reeds het uiterlijk van den boer antwoordde voor hem. Zijn oogen fonkelden onder zijn grijze wenkbrauwen, zijn handen trokken zenuwachtig aan zijn pet, en zijn pijp dampte als een vulkaan.

„Of ik ga, man ? De geheele wereld houdt mij niet vast. Nu zullen wij het ware krijgen. Nu weten wij, waar de echte liefde is."

Toen de predikant hem ernstig afvroeg, of hij het' op zijn geweten durfde nemen, niet alleen zichzelven, maar zoovelen met hem zulk een onzekere toekomst te doen tegengaan, herhaalde hij slechts: „Wij worden geroepen."

De predikant liet nog niet af en voerde tegenwerpingen aan.

Des te beslister bleef echter Dirk Exalto. Niet achteruit te zien was zijn woord: „Gedenk de vrouw van Lot," zoo klonk 1^,5 het uit zijn mond. En voorts : „Die zijn leven lief heeft, die zal het verliezen". „Begrijpt ge het nu ?" jvroeg hij eindelijk met zekere fierheid.

„Neen, Dirk," was het bescheid.

„Nu, hoor dan mijn woord ! Het loopt hier in deze vervloekte oude wereld op zijn eind. Het geklaag der arbeiders schreeuwt tot Gods troon. De rijken zullen jammeren en schreien, want de maat is hier vol. Maar bij de Heiligen der laatste dagen in Utah komt de zaligheid. Daar heerscht de gelijkheid, de liefde. Daar is ieder arbeider.

['] Dit vermoeden ia juist. Ileystek, de schrjj ver van het vragenboekje, was schipper. Zjjn zoon, Willem Heystek, schreef mjj (d.d. 2.9.1903): „Vader was schipper en verkocht de artikelen, die te Zwjjndrecht werden gefabriceerd, hoofdzakelijk Chocolaat, welke bezigheid hij heeft volgehouden, totdat wjj alle naar Amerika vertrokken, doch toen de gemeente was opgebroken, natuurlijk voor eigen rekening.

Sluiten