Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De recensent van Mr. Quacks artikel in de Kerkel. Courant (1892 No. 35) zegt:

„Thans blijkt het duidelijk hoezeer pantheistische mystiek gepaard ging met het streven der broederschap om de beginselen van het Evangelie toe te passen en de gedaante der eerste Christelijke gemeente volgens de Hand. der ap. in hunne samenleving te herstellen. Capadose heeft dit niet gezien, toen hij een parallel trok tusschen de Groningers en de Zwijndrechtsche broederschap. I-1 eitelijk hadden dezen niets met elkander gemeen dan den afkeer van de oude Kerkleer en de voorliefde voor het hart der leer van het Evangelie: God is liefde,"

Het is waar, dat Capadose geen aandacht wijdde aan de verschillende wegen, waarlangs Groningers en Nieuwlichters gegaan waren, maar het is toch ook een feit, dat zij meer gemeen hadden dan afkeer van de oude kerkleer. Zij ontmoetten elkander in zeer positieve resultaten van hun denken.

Ja, de Groningers gaven een theologie — de broeders hebben een eenvoudige levensleer gevraagd — maar toch was bij beiden de grond : het vragen naar voldoening van de behoeften des harten.

Het rationalisme bevredigde niet, het hart vroeg iets warmers, dan de tijdgeest gaf; beide richtingen gaven een antwoord op die vraag.

En is de mystiek zoo geheel vreemd aan de Groningers ? Wel bestrijdt Hofst. de Groot het Mysticisme — zooals dit ook in zijn pantheistischen vorm vooral bij Maria tot uiting komt, als ontaarding der Mystiek, maar hij erkent toch de „speculatiefmystieke richting zijner Theologia Naturalis". (*)

In zijne Kerkgeschiedenis spreekt Hofstede de Groot van de „Oerrnaansche of mystische opvatting des Christendoms" en erkent hij de Kerkhervorming als „echt Germaansch" — dat moet dan ook volgens hem : „echt mystisch" zijn.

Ook in de practische richting van hunne leerstellingen zijn de Groningers nauw verwant aan de Nieuwlichters.

vïïn. „Men moge bij de lezing Tan dit boekske glimlachen bjj het ontwaren, dat de Groninger School lang» den omslachtigen weg van de geleerdheid tot dezelfde uitkomst geraakt is, welke reeds voor ettelijke jaren een Stoffel Muller, als 't ware door eenen genialen sprong bereikt had ; de lagch yergaat bjj de gedachte, dat hetgeen aan de jeugdige beoefenaars der Godgeleerdheid als vrucht van diepzinnige studie opgedischt wordt, hetzelfde is, wat, ontdaan van allen tooi, de verloochening, men zou kunnen zeggen, de platte en plompe verloochening van de ter zaligheid onontbeerlijke Evangelie-waarheden is' ('> Zie „De Groninger godgeleerden in hunne eigenaardigheid." 1855 blz. 123.

Sluiten