Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Even groot belang, als de Kerkhistorie voor Hofstede de Groot had, had de wereldgeschiedenis voor die eenvoudige broeders.

Vermeldenswaard is nog een citaat uit Heystek's vraagboekje. Hij spreekt over de verschillende wegen en verschillende methodes van Gods opvoeding, passend bij de verschillende tijdsbedeelingen, aldus;

„Is God dan in de middelen om zijn voornemen te volbrengen niet veranderlijk ?" Ja, gelijk een onderwijzer, die een onveranderlijk voornemen heeft om zijnen leerling iets grondig te leeren, hiertoe verscheidene wegen inslaat en gedurig van het mindere tot het meerdere overgaat, zoo is ook het gedurig opklimmend veranderen van God ter bereiking van zijn oogmerk, een bewijs van Zijne onveranderlijkheid." Hebr. 8 : 13 ; 12 :26 en 27. (')

Uitgaande van die Openbaring Gods in Christus' woord en werk, ontwikkelen de Groningers nu hun Christocentrisch stelsel.

De Zwijndrechtsche broeders nemen wel de Openbaring van Gods wezen door Christus als het essentieele van Christus' werk, maar leggen ze niet tot grondslag van hun geheele stelsel.

Het „Nieuwe licht" is theocentrisch !

Staat bij de Groningers Gods liefde voorop — de broeders gaan uit van Gods souvereiniteit — hoewel, meer in pantheistischen zin, Hem beschouwend als het ,,A1".

Hofstede de Groot zegt:

„Daar wij in den Zoon God als den Vader leeren kennen, verwerpen wij nadrukkelijk de meening van Augustinus, Calvijn en de Dordsche Synode, die in God niet zoozeer de liefde tot hoofdzaak maakt, als wel zijne souvereiniteit." (J)

Maar al gaat de een uit van : „God is liefde" en de ander van : „God is souverein", treffend is de overeenstemming in de conclusies, waar het betreft de verwerping van de leer der voldoening en het aanvaarden van de leer der wederherstelling aller dingen. De verwerping der voldoeningsleer was in de oogen van de tegenstanders der Groninger school wel de grootste steen des aanstoots.

De opstellers van het adres van 1842 trekken heftig te velde

(') Vraagb. blz. 12 vr. 20.

(') Gron. Godgel. blz. 177.

Sluiten