Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,,in dien zin, dat Hij volkomen mensch is, geheel cn al mensch, zonder eenige zonde en volmaakt heilig, een

type van den mensch.

Doch Hij is ons niet God en mensch, maar God in menschelijke vormen of goddelijk mensch, zoodat Hij ons niet alleen één persoon is, maar Hij ook niet dan èène natuur heeft, de godmenschelijke, aangezien de mensch van Gods natuur of van goddelijk geslacht is, en er dus niet van eene goddelijke en eene menschelijke natuur als twee naturen kan gesproken worden". (*)

Dit laatste brengt ons haast in verzoeking te vragen : in hoeverre is er dan specifiek verschil tusschen Jezus en de andere menschen en dat verschil wil Hofstede de Groot toch immers

erkennen ?

Nog nauwkeuriger geformuleerd is blz. 165:

„De Kerkvaders der eerste vier eeuwen stelden zich Jezus Christus als één persoon voor, waarin de Logos de plaats des menschelijken geestes vervulde. Doch hiervan ging de orthodoxe kerk af, toen zij sedert 381 aan Jezus, behalve een menschelijk lichaam, ook eenen menschelijken geest toeschreef — hierdoor hief zij de eenheid van Jezus' persoon inderdaad op.'

Maar wij vragen: is dan de opvoeding der menschheid hierin feitelijk bij Apollinaris blijven stilstaan, en is de volgende ontwikkeling van het Christologisch dogme verbastering.

Als de Logos de plaats van den menschelijken Geest bij Jezus vervulde, was Hij dan „volkomen mensch, geheel en al mensch", zooals Hofstede de Groot eerst stelde?

Hofstede de Groot bleef zelf vasthouden aan een persoonlijk voorbestaan van den Logos — niet eeuwig, maar toch wel buiten den tijd, vóór de wereldschepping — maar: „deze voorstelling van een persoonlijk voorbestaan van den Logos behaagt evenwel niet aan al onze vrienden, die in „Waarheid in Liefde schrijven. Er zijn eenigen onder hen, die, op de wijze der meeste hedendaagsche Godgeleerden, den Logos alleen voor eene kracht Gods

houden, welke aan den mensch Jezus Christus is medegedeeld. (2)

Van het leerstuk der Triniteit kan natuurlijk geen sprake zijn

(') Gron. godgel. blz. 45. (') Gron. godgel. blz. 164.

Sluiten