Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in hun stelsel. Is de Zoon niet zelf God, de Heilige Geest is slechts de onpersoonlijke kracht Gods.

„De heilige Geest is ons de geest, het leven, de mogendheid en kracht welke Godes is en van God door Christus in de menschheid wordt gebracht. Op uitlegkundige gronden kunnen wij dien geest voor geen persoon houden." (')

Wij verwachten van Muller geen fijn geformuleerde bepalingen over een persoonlijkheid van den Logos, over generatie of schepping in of buiten den tijd, of over de verhouding der twee naturen. Hierin echter komt hij met de Groningers overeen, dat ook hij den Zoon ondergeschikt acht aan den Vader.

Maar beiden treft dan het verwijt van Elout: „Gij wilt dien Christus als begin, middenpunt en einde en weigert, Hem als één met den Vader en den Geest te erkennen. Hoe kunt gij dan de beschuldiging ontgaan van afgoderij?"

Op blz. 192 wees ik aan, dat alleen Heystek Goddelijke eer aan den Zoon ontzegde — zoodat dit verwijt hem niet zou treffen.

Ook da Costa werpt de Groningers hetzelfde voor. (2)

Hofstede de Groot antwoordt:

„Wel vereeren wij den Heer als Gods Zoon, één met den Vader (d.i. „één van geest en macht" blz. 17), maar het bijvoegsel ook als God achten wij wel niet volstrekt ongepast, maar toch, als dubbelzinnig, minder gepast." (')

Ik vraag: aan welke zijde zou de dubbelzinnigheid in uitdrukking zijn?

Ten opzichte van de noodzakelijkheid van Christus' gewelddadigen dood staan Groningers en Nieuwlichters weer op ééne lijn.

Muller zou deze noodzakelijkheid desnoods nog verdedigd kunnen hebben met zijn absoluut determinisme, volgens hetwelk ook die dood, als deel der prediking van Gods liefde, van eeuwigheid verordend was, maar dat de kruisdood noodzakelijk was als offer, krachtens het verordende heilsplan, dat ontkent Muller. De Groningers evenzoo.

Allerzonderlingst is echter een stelling als No. 2 van de „Theses 'flieologicae quas, praeside Pareau die 5 Maji 1841 proponet

0 Gron. godgel. blz. 184.

<") Zie: Eenige opmerkingen omtrent het onderscheidend karakter der Gronijigsche godgeleerde School door Mr. Is. da Costa, Amst. 1847 blz. 12.

(*) De berigten omtrent het onderscheidend karakter enz. toegelicht door

Hofstede de Groot. Gron 1848 blz. 16.

Sluiten