Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niemeyer": „Adventüs Jesu Christi lias in terras consilium non fuisse ut moreretur. quarn luculentissime patet e parabolo quam proponit Jesus Luk. 20: 13—15."

Hoe deze gelijkenis dit moet bewijzen is mij een raadsel. De vader in de gelijkenis verwacht: zij zullen mijnen Zoon ontzien, maar dit valt hem tegen. Is Christus' dood — met eerbied gesproken — dus ook zulk een „tegenvaller"? Mag men zulk een onvoorzienen afloop veronderstellen in de goddelijke heilsbedeeling. Is dit alles dan geschied zonder „Gods bepaalden raad en voorkennis?" (Hand 2: 23).

Een punt van verschil vinden wij in de waardeering der Kerk. De Nieuwlichters staan vrij onverschillig tegen haar over, vormen een secte — de Groningers waardeeren haar hoog, in nauw verband met hunne idee der opvoeding van het menschdom.

Spreken we over deze waardeering van de Kerk, dan komen vanzelve hunne beschouwingen omtrent den Bijbel ter sprake, waar we echter geen parallel meer kunnen Uekken met de Nieuwlichters, omdat dergelijke beschouwingen vrijwel buiten het gezichtsveld dezer eenvoudige lieden vielen.

Hofstede de Groot zegt: „In het groot gewicht 't welk wij aan de Kerk hechten, komen wij met Schleiermacher overeen en hebben wij véél aan hem te danken. Wel was velen onzer het denkbeeld ook vroeger reeds eigen, dat onze Heer eigenlijk door eene Kerk alleen zijn doel, de volmaking des menschdoms kon bereiken." (') Men vindt soms een waardeering van de Kerk, die naar Rome heenwijst, waar bewijsplaatsen voor de dogmatiek worden ontleend aan uitspraken der Kerk of van voorname Kerkleeraars.

„Door aan te nemen, dat er in de geschiedenis eene voortgaande openbaring en werkzaamheid van Jezus Christus is te zien,,... die door zijn blijvend, persoonlijk, uit den hemel op aarde voortgaand werken haar blijft bezielen en besturen, en dat in zijn werk God zelf zich blijft openbaren, vatten wij een denkbeeld weder op, 't welk in de Roomsch-Catholieke Kerk heerschend is, maar door Protestanten veelal is voorbij gezien. Met de voorstelling der Roomsch-Catholieke Kerk komt de onze in zooverre overeen, als wij met haar vaststellen, dat er (i) Gron. godgel. blz. 97.

Sluiten