Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wie kan die scheiden ? Die verhalen worden toch medegedeeld door dezelfde apostelen, die hunne uitspraken daarover gaven, en zullen we nu de ,,verhalen aanvaarden, maar de ,,uitspraken" mogelijk in twijfel trekken?

Wij staan niet meer voor de feiten, maar voor de verhalen er van — waar is de grens tusschen „verhaal" en „uitspraak"? Kan het verhaal niet evengoed reeds onder den invloed van de uitspraak staan ?

Nog meer weifelend wordt hun oordeel, als we nu hooren : „in plaats van de wijsgeerige onfeilbaarheid der Apostelen, hebben wij de historische feilloosheid gezet." (')

Maar, een oordeel over feilloosheid te geven, staat niet in onze macht — en toen eenmaal de onfeilbaarheid was losgelaten, zou het opkomend modernisme spoedig de beweerde feilloosheid op zijde zetten.

Er is een zekere halfheid in de Groninger theologie niet te miskennen. Op blz. 63 van „de Groninger godgeleerden etc." zegt Hofstede de Groot:

„hunne schriften [der apostelen] en de hunne alleen zijn ons kenbron en toetssteen der Christelijke waarheid" — dit komt overeen met de daareven genoemde concessie aan Da Costa, maar toch wordt er op blz. 150 weer geleerd :

„Uit onze geheele beschouwing van het Christendom volgt noodwendig: is Gods openbaring en opleiding in Christus bij ons de bron der Godgeleerdheid, dan kunnen wij ons niet bij de Schriften van het Nieuwe Verbond alleen bepalen, maar moeten ons ook uitstrekken tot de Kerkgeschiedenis."

Blijft het „toetssteen zijn" dus gehandhaafd, eenige kenbron zijn de N.-Testamentische geschriften niet. (2)

Nog eens: bij de beschouwing van kerk en bijbel kunnen we geen parallellen trekken tusschen Groningers en Nieuwlichters, maar toch geloof ik, dat de broeders zich ook in deze punten zeer wel thuis gevoelden in de Groninger beschouwing.

Zou Valk, die in de geheele wereldgeschiedenis Gods opleiding zag, die ontkend hebben in de Kerk ? Neen, toch ?

(') Gron. godgel. blz. 62.

(') Vergelijk liier Waarheid in Liefde 1841, waar llofsf. de Wroot blz. 764 zegt: „Die den Bijbel tot bron der Christelijke Godgeleerdheid maken, werpen zich in een maalstroom van onoplosselijke zwarigheden."

Sluiten