Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T

gohen hadden moeten zondigen en God al zoo veeleer als de oorzaak der zonde zou moeten beschouwd worden.

Na behoorlijk deswegen gegeven inlichting werd hem het zwijgen opgelegd.

Art. 5 als nu ook toegestemd.

Art. 6 de eeuwige straf strijdende tegen zjjne denkbeelden van Gods liefde na het aanvoeren van tegenbewijzen toegestemd.

Art. 7 toegestemd.

Art 8 In vleeschelijken zin toegestemd, in geestelpen ontkend met aanvoering der in zijn oog daartoe dienende bewijzen dat het Euang. ons ver\ pligte alles met onzen naaste (t« weten de met ons hetzelfde gelovende) te moeten deelen. Na de noodige ophelderingen deswegen als ook na gegeven onderricht wie als onzen naasten moest worden aangemerkt toegestemd.

Nadat Ds. praeses hem de noodige waarschuwingen van voorzichtigheid had medegedeeld — hem toegewenscht, Dat zijne toestemming welgemeend niet alleen in woorden bestaan [ook ?] in zjjne daden blijken [zou.]

Terwijl zjjn Eerw. aan beiden voorstelde zich thans niet te willen inlaten over eenige beledigende uitdrukking jegens hem gebezigd als zijnde deze gaarne vergeven.

Beide vertrokken zijnde verheugde zich de E. Kerkeraad onderling over den gelukkigen afloop dezer zaak — werd God de dankzegging toegebragt en deszelfs

zegen afgebeden zijnde de vergadering gesloten."

* *

Uit liet hier verhandelde zien we duidelijk, dat Mullers opvattingen reeds van af het begin der broederschap vaste vormen hadden aangenomen.

Zijne leer wordt hier vrij goed weergegeven.

De melding van hun gevoelen „dat aan hun eene zending hoger dan die der apostelen moest worden toegekend" is overdreven. Zoo iets zou zeker nooit door Muller gezegd zijn. We laten in het midden, of deze overdrijving geweten moet worden aan Van Dijk dan wel aan den predikant. Hunne opvatting aangaande de gemeenschap van goederen werd bepaald onwaar voorgesteld, als de predikant hen liet zeggen: „dat God aller vader zijnde alle evenveel aanspraak hadden op de bezittingen thans aan dezen of geenen toegekend," en de achtste vraag behoorde dan ook niet zoo gesteld te worden: „of hij niet eerbiedigde het regt van eigendom hetwelk ieder had op de hem aangewezen bezittingen".

Het antwoord van Risman was dan ook zeer terecht: „in vleeschelijken zin toegestemd, in geestelijken ontkend" m. a. w. gemeenschap van goederen is geen eisch aan de wereld, maar wel een plicht voor de ware geloovigen.

Sluiten