Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Overwegende, dat daarbij niet kan afdoen, dat ook „andere eigenaars die niet worden onteigend, door den „aanleg van den spoorweg gelijke schade kunnen lijden „die niet wordt vergoed;

„dat toch bij de toepassing van de artt. 40 en 41 der „Onteigeningswet alleen de vraag is op welke schadeloosstelling een onteigende aanspraak heeft; — en de aanspraak „van dezen op schadeloosstelling volgens die artikelen niet „kan worden weggenomen door de omstandigheid, dat ook „andere niet onteigende grondbezitters ingevolge de ligging „hunner perceelen aan de spoorbaan gelijk nadeel kunnen „ondervinden;

„dat die strekking der wet ook blijkt uit het antwoord „der Regeering bij het tot stand komen der Onteige„ningswet in de mondelinge beraadslagingen gegeven, dat „de bedoeling van het ontwerp was om de schadevergoeding te verzekeren die aan den onteigende verschuldigd „zou zijn, maar niet om verder te gaan en de voorziening „der wet uit te strekken over anderen, die van naderbij of „verderaf gebaat of geschaad zouden worden door den aan„leg van publieke werken;

„Overwegende, dat het middel van cassatie derhalve niet „gegrond is; verwerpt enz."

Twee beslissingen geeft de Hooge Raad in dit arrest.

1°. Tusschen de onteigening zelve en het werk, ten behoeve waarvan zij plaats heeft, bestaat een onafscheidelijk verband, zoodat het noodzakelijk gevolg van het werk ook te beschouwen is als een bestanddeel der door de onteigening zelve toegebrachte schade.

2°. Aanspraak op schadevergoeding kan alleen de ont-

Sluiten