Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den nieuweren tijd vond de meening van Mr. Thorbecke weerklank in het rapport in 1896 uitgebracht over de volkshuisvesting door de heeren Drucker, Greven en Kruseman op verzoek van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen !), ofschoon Mr. H. L. Drucker in zijn opstel, opgenomen in het Rechtsgeleerd Magazijn van 1886, zich een warm verdediger betoonde van de leer van den Hoogen Raad; maar hij kan in de commissie zijn overstemd. In 1904 bleek ook Mr. J. van Woudenberg Hamstra 2) tegen de meening van den Hoogen Raad gekant te zijn.

Geen geringe tegenkanting dus vindt de Hooge Raad bij de Nederlandsche schrijvers, terwijl als voorstander mij alleen Mr. Drucker bekend is.

De reeks van arresten, waarin het eerste punt in denzelfden zin beslist wordt, vindt slechts eenmaal een onderbreking in het arrest van 7 Juni 1898 3), toen aan den

') Zie blz. 142 van dat rapport.

2) Zie zijn proefschrift over „Toerekening van voordeel bij schadevergoeding". Amsterdam 1904, blz. 84 vlg.

3) w. 7136. Hier werd ook vergoeding gevraagd voor waardevermindering geleden tengevolge van eigendomsbeperking krachtens de Spoorwegwet; met een kleine wijziging echter in den eisch. Immers hiermee aaneengekoppeld werd gevraagd schadevergoeding wegens waardevermindering uit een andere oorzaak n.1. door gevaar, dat de exploitatie van den spoorweg opleverde voor het vee en de paarden.

Deze twee verschillende oorzaken schijnt de procureur-generaal niet voldoende onderscheiden te hebben. In zijn conclusie heeft h(j beide op één lijn gesteld en gemeend, dat in beide gevallen geen schadevergoeding mocht worden toegekend, niettegenstaande hij erkent, dat art. 41 der Onteigeningswet wel toelaat de schade te vergoeden veroorzaakt door het werk.

De H. B. kwam tot dezelfde conclusie, maar zijn motiveering was anders. Met betrekking tot het beroep op de Spoorwegwet van 1875

Sluiten