Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„daaronder begrijpt, behalve de regtstreeksche gevolgen „van den eigendomsovergang op het tijdstip daarvan, ook „bovendien de meer verwijderde of middellijke gevolgen der „onteigening, met het oog op de mede daaruit voortkomende uitvoering des werks, als onafscheidelijk doel „en gevolg van de onteigening."

Hier wordt de uitvoering van het werk het van de onteigening, d. i. de eigendomsovergang, niet af te scheiden doel genoemd, zoodat de noodzakelijke gevolgen van de eerste evengoed als die van de tweede onder art. 41 der Onteigeningswet vallen, dat alleen spreekt van „het noodzakelijk gevolg van de onteigening in het algemeen." Niet alleen dus „de regtstreeksche gevolgen van den eigendomsovergang op het tijdstip daarvan" komen in aanmerking, maar ook „de meer verwijderde of middellijke gevolgen der onteigening, met het oog op de mede daaruit voortkomende uitvoering des werks."

De bedoeling van den Hoogen Raad schijnt te zijn, dat onder het begrip onteigening ook gebracht moet worden de verwezenlijking van haar bestemming, de ten uitvoerlegging van het werk. Dit blijkt ook uit de volgende woorden van het arrest:

„dat dan ook ten eenen male buiten invloed is de van „wege den eischer ingeroepen onderscheiding tusschen „regtstreeksch gevolg van het werk en regtstreeksch gevolg „der onteigening; vermits die onderscheiding wegens den „samenhang van het een met het ander, ligt geheel buiten „het ten deze aangehaald artikel."

Ten duidelijkste komt deze bedoeling ook uit in het arrest van 9 December 1885 1) waar men leest, „dat noch volgens

>) N. R. CXLI § 45 blz. 311.

Sluiten