Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misschien nog te verklaren, wanneer men het werk slechts als motief gedacht heeft, waardoor de ontneming van den eigendom gerechtvaardigd wordt.

In elk geval, wanneer men de waardevermindering te onderzoeken heeft, dan kan van geen eenheid sprake zijn tusschen de onteigening en het werk. „De onteigening is „de ontneming van den eigendom, het tot stand brengen „van het werk is het gebruikmaken van den eigendom". *) Het eerste kan zeer goed geschieden, zonder dat de spoorweg of het kanaal gemaakt wordt. Dit blijkt ook uit art. 61. De gevolgen van het eerste kan men zeer goed onderscheiden van die van het tweede.

2°. Er bestaat geen causaal verband tusschen de schade tengevolge van het werk en de ontneming van den eigendom. Want art. 41 eischt, dat het gevolg een „noodzakelijke" moet zijn. Hieronder kan men nooit een meer verwijderd gevolg brengen, want zij is dan niet „rechtstreeksch". Mr. Thorbecke zegt: -) „Intusschen kenmerk van een niet „regtstreeksch, meer verwijderd, gevolg is, dat er eene „andere, onmiddellijke niet verwijderde, oorzaak daarvoor „bestaat. En dan is het gevolg juist niet noodzakelijk". Dus in ons geval is de schade tengevolge van het werk

„had ze aangenomen. In de motieven voor de pruisische onteigeningswet vindt men dezelfde onderscheiding gemaakt. Ook onze „tegenwoordige wet heeft geen ander beginsel. Alle deze wetten beschouwen de onteigening als in bezitneming voor publieke werken. „Men vergelijke de artikelen 2, 8, 10, 12, 19, 25, 61 der onteigeningswet. In onze overige wetgeving en bestuur is het een vast „beginsel geworden."

') Blz. 218.

2) Blz. 218.

Sluiten