Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„werk anders uitgevoerd kan worden als het plan aanwees, „later blijken, dat de schadeloosstelling te laag, maar ook „dat zij te hoog bepaald was.

„Dergelijke uitkomst is onaannemelijk en een grond „meer tegen de stelling, dat ook de schade, door het „werk te veroorzaken, volgens art. 41 moet worden vergoed". ')

7°. Het stelsel van den Hoogen Raad brengt mede dat in de wet te vinden is een stuksgewijze regeling, van een speciaal onderwerp hetgeen in deze „logisch zamenhangende, zoo doordachte wet" niet aannemelijk is. „Van „welken aard is de bepaling, die men in de wet meent te „lezen? Het is een voorschrift omtrent de vergoeding der „schade, welke door den aanleg van publieke werken veroorzaakt wordt". „Eenige weinigen, die door publieke „werken schade lijden, zouden vergoeding ontvangen, de „groote massa niet". -)

Vooral tusschen de argumenten 1, 2 en 3 bestaat een nauwe samenhang. Zij laten zich het best beantwoorden bij de bespreking van liet onteigeningsinstituut zelve, zooals deze bij ons te lande geregeld is.

Van de afwijkende meening van andere tegenstanders zal tevens kennis genomen worden.

Gaan wij thans voor zoover noodig ons onteigeningsinstituut na, dan zien wij, dat het zijn grondwettigen grondslag vindt in urt. 151 der Grondwet.

Te oordeelen naar de redactie van het artikel blijkt op

1) Blz. 223.

2) Blz. 231.

Sluiten