Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in gewone gevallen verschuldigd, wanneer een eigendom overgaat ter aanwending ten algemeenen nutte').

Wat bepalen die artikelen ?

art. 40. „Alleen de werkelijke waarde der goederen, „niet de denkbeeldige, welke zij uitsluitend voor „den persoon des eigenaars hebben, komt in „aanmerking".

art. 41. „Bij de berekening der schadeloosstelling wordt „acht gegeven op de mindere waarde, welke „voor de niet onteigende goederen het noodzakelijk gevolg van de onteigening is".

Als eenig vereischte leeren wij dus in art. 40 kennen, dat de waarde der onteigende goederen een werkelijke, een reëele, moet zijn om voor schadeloosstelling in aanmerking te kunnen komen. De Memorie van Toelichting evenmin als de Beraadslagingen in de Kamers der Staten-Generaal geven ons een aanwijzing, wat men hieronder zal hebben te verstaan.

Wat de „werkelijke waarde" der goederen is zal men moeten afleiden uit de tegenstelling met de „denkbeeldige waarde", zooals de wet zelf ook doet. De „denkbeeldige waarde" is die waarde, welke de goederen uitsluitend voor den toevalligen persoon des eigenaars hebben, dus het z.g.n. pretium affectionis. Deze was volgens de Regeering „als aan den persoon gebonden, voor geen waardeering vatbaar" 2). Uit deze motiveering mogen wij misschien op-

') Het algemeen nut is niet alleen de rechtvaardigingsgrond van den eigendomsovergang, zooals \vy hieronder zullen zien.

2) Zie de Mem. v. Toel. in de Hand. 1850/51 blz. 291. Zij is ook bij Mr. Thorbecke aangehaald op blz. 27 vlg.

2

Sluiten