Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken, dat de Regeering ook deze persoonlijke waarde in aanmerking genomen zou hebben, indien zij objectief te berekenen ware, zooals trouwens in de litteratuur door enkele buitenlandsche schrijvers voorgestaan wordt1).

De „werkelijke waarde" der goederen zal men zoodoende moeten noemen die waarde, welke de goederen niet uitsluitend voor den toevalligen persoon des eigenaars hebben, welke zij voor iederen eigenaar hebben dus en welke wel het best op de markt objectief te bepalen zal zijn, in één woord de „marktwaarde"2).

De vergoeding van de waarde enkel van het ontnomen goed zou den ontnomene niet ten volle schadeloosstellen voor de ondergane onteigening. Onder andere zal hij schade kunnen lijden door de verbreking van het economisch verband, dat zijn goederen van te voren mogelijk bezaten, de bijzondere ligging b.v. ten opzichte van elkaar. Hierdoor kan het overgebleven goed veel minder waard worden dan het komplex van goederen verminderd met de objectieve waarde van het ontnomene goed.

Dit voorzag de wetgever en daarom werd in art. 41 den rechter bevolen te letten op de mindere waarde, welke de niet onteigende goederen verkrijgen als noodzakelijk gevolg der onteigening3).

1) Aldus Mittermaier en Picard aangehaald bjj Layer p. 522. Zie ook de aanhaling van Mr. Drucker op blz. 203. De meeste schrijvers jntusschen nemen deze waarde niet in aanmerking.

2) Mr. Drucker verwijst ons op blz. 196 naar de artt. 4496, 454d, 1123i B. W., waar onze wetgeving de „marktprijs" (valeur vénale) herhaaldelijk als een vaste grootheid voorstelt.

3) Mr. r. Woudenberg Hamstra meent op blz. 84, dat art. 41 overbodig is. Dit staat in verband met zijn opvatting over art. 40, n.1.

Sluiten