Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Letten wij in het bijzonder op dit artikel, dan doen zich in hoofdzaak drie vragen voor:

1°. wat moet men verstaan onder „de niet onteigende goederen"?

2°. wat is „onteigening" ?

3°. wat „noodzakelijk gevolg" ?

Ad primum zal men moeten antwoorden, dat hieronder te begrijpen zijn „de na de ontneming overblijvende" niet onteigende goederen, zoodat de onteigende en de niet onteigende goederen van te voren één geheel moeten hebben uitgemaakt.

Deze opvatting vindt steun in de Memorie van Toelichting1), waar de Regeering onderscheidde tusschen „de werkelijke waarde" van goederen en hare „betrekkelijke waarde" d. i. de verminderde waarde van het overgeblevene. Immers „zoo het overgeblevene, ten gevolge der onteigening, buiten staat is de vorige diensten te bewijzen, moet „dit in rekening genomen worden" 2).

dat de wetgever onder de „werkelijke waarde'' zou hebben bedoeld die waarde, welke het ontnomen goed voor den onteigende had. Maar in datzelfde artikel wordt immers van een ander gevoelen bljjk gegeven, doordat de pritium affectionis buiten rekening gelaten wordt!

*) Hand. 1850/51 blz. 291.

2) Aldus ook Mr. Thorbecke blz. 211 vlg. Mr. Drucker blz. 212 wyst tevens op onze Onteigeningswet van 1841, die in art. 12 van een bijzondere schadeloosstelling sprak voor het geval „dat het gedeelte, waarvan „de onteigening wordt gevraagd, van het goed niet kan worden afgescheiden zonder eene vermindering der waarde van het overige gedeelte."

Ook de H. E. besliste in dezen zin op 8 April 1878 w. 4259. Aldus ook de adv. gen. Rcthaan Mararé in zijn conclusie bij het arrest van 14 Jan. 1907 N. R. CCV § 4.

De rechtbank van Breda vond een „gemeenschappelijke bestemming" voldoende. Zie haar vonnis van 18 Sept. 1855 w. 1689.

2*

Sluiten