Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen zal deze onderscheiding veel van haar belang verliezen, wanneer men aanneemt, dat elke vermindering door de onteigening aan het vermogen van den onteigende toegebracht vergoed moet worden.

Voor een dergelijke opvatting is veel te zeggen, wanneer men let op de bedoeling van den grondwetgever. Een der waarborgen om het private recht der burgers in veiligheid te stellen, zagen wij reeds, is de verplichte schadeloosstelling. Wanneer deze niet het geheele nadeel omvat, dat den onteigende in zijn vermogen berokkend wordt door de onteigening, dan zou het karakter van waarborg grootendeels te loor gaan.

Voor de toepassing der beginselen bij de berekening der schadeloosstelling heeft de rechter wel is waar alleen te letten op de wet 1), maar over haar bedoeling op dit punt bestaat veel verschil van meening.

De ruime opvatting van het begrip „schadeloosstelling" 2) meen ik echter te mogen aannemen, wanneer men let op

') Zie art. 11 der wet houdende Algemeene Bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk j°. art. 121 der Grondwet.

-) In gelijken zin in het bijzonder wijzend op de beteekenis van het woord „schadeloosstellen" de H. B. in zijn arrest van 5 Dcc. 1904 w. 8151. Mr. Druckcr blz. 193 wijst op het Fransche „indemnité", waarvan ons woord een vertaling is.

Ook in België en Frankrijk haalt men hieruit de ruime interpretatie.

Voorstanders van de enge interpretatie in ons land zijn Mr. v. Woudenburg Hamstra (blz. 83 noot 2) en Mr. Thorbceke (blz. 195).

De iurisprudentie van den H. E. echter is constant in ruimen zin. Laatstelijk bep. arrest van 19 Nov. 1906 w. 8459, ofschoon bij de behandeling der woningwet de Begeering meende, dat de iurisprudentie zou kenteren.

De buitenlandsche schrijvers zijn vrij algemeen het ruime beginsel

Sluiten