Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bepaling van art. 17, dat de onteigenende partij dwingt een poging in het werk te stellen den eigendom bij „minnelijke overeenkomst" te verkrijgen. Den prijs te bedingen bij overeenkomst blijkt de wetgever met de normale ideale schadevergoeding gelijk te stellen. Ongetwijfeld zal hierbij elk schadeelement in aanmerking genomen worden.

Dit artikel in verband met de bedoeling van de Grondwet, welke in 1848 zoo kort vóór de geboorte der Onteigeningswet op dit punt geen twijfel overliet, doet ons tot een ruime interpretatie der artt. 40 en 41 overhellen. Men moet in deze artikelen slechts een aanwijzing voor den rechter zien. Zij binden hem niet in dien zin, dat hij mogelijke andere elementen van schade, b.v. kosten van verhuizen enz., die noodig zijn geworden ten gevolge der onteigening, buiten rekening moet laten.

Intusschen behoeft deze al of niet ruime uitleg geen invloed uit te oefenen op de waarheid van onze stelling. Want hiervoor is alleen noodig. dat men kan aantoonen, dat de schade veroorzaakt door den aanleg van het werk ook is een noodzakelijk gevolg der onteigening. Is dit het geval, dan dwingt art. 41 den rechter die schade in aanmerking te nemen.

toegedaan. Layer zegt op p. 505: „Die beste Formel hat Treichler .,gefunden welche in der Theorie fast allseitige Zustimmung gefunden „und auch auf die Praxis groszen Einflusz ausgeübt hat. Danach ist „Gegenstand der vollstandigen Entschitdigung die Differtnz zwischen „dein Termrigeii de.s Enteigiietrn im Zustande vor und im Zustande iiach der Enteignung".

Ook vele buitenlandsche wetten aanvaarden dit beginsel. Zoo b.v. de Italiaansche wet van 25 Juni 1865, de meeste Duitsche wetten, de Ooatenryksche, de Russische en de Engelsche wet. Zie de Weiss.

Sluiten