Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij een onteigening heeft dus een overgang van eigendom plaats.

Van „eigendom", omdat de wet geen overgang of oplegging van zakelijke rechten kent. Dit blijkt zoowel uit den text als uit de geschiedenis der Onteigeningswet1). Wel kunnen zakelijke rechten teniet gaan, maar dit is dan slechts een gevolg van den eigendomsovergang.

Bij elke onteigening dus heeft een „overgang van eigendom" plaats.

Strikt genomen behoeft niet meer plaats te hebben bij een onteigening ten algemeenen nutte, wanneer men het algemeen nut slechts als het motief beschouwt, wanneer men het algemeen belang voldoende bevorderd acht doordat een zeker goed een verwisseling van rechtssubject heeft ondergaan.

Dit schijnt echter niet de bedoeling van onzen wetgever geweest te zijn. Er moet gebleken zijn, dat de eigendom ook ten algemeene nutte is aangewend geworden. Aan de bestemming, waarvoor de eigendomsovergang plaats greep, moet zijn voldaan.

Een zoodanige bedoeling ligt in de lijn van de Grondwet, die met wantrouwen dezen inbreuk op het eigendomsrecht tegemoet treedt.

Zij blijkt ook uit de regeling der Onteigeningswet zelve. Blijkens de woorden van vele artikelen 2) en ook blijkens

„een zeker zaaksgenot toe te bedeelen" zegt Mr. H. Krabbe terecht in zijn opstel opgenomen in het Rechtsgeleerd Magazijn van 1893 op bladzijde 182.

') Vgl. Mr. Thorbecke blz. 49 en Buys 2e deel blz. 253.

2) Zie art. 2 „de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert".

Art 6, „werk van algemeen nut".

Sluiten