Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare beperkende bepalingen van toepassing is *), waardoor bouwgrond tot tuingrond zal worden gedepreciëerd.

Neemt men met den Hoogen Raad aan, dat de aanleg van het werk het onafscheidelijk doel is der onteigening, dan kan direct art. 41 van toepassing worden verklaard.

Hoe echter, indien men onder de onteigening slechts den overgang of ontzetting van eigendom verstaat? Laat men dan de schadevergoeding afhangen van de vraag of tusschen den eigendomsovergang en den aanleg van het werk een causaal verband bestaat, dan zal men tot een ontkennend antwoord moeten komen. Want streng logisch behoeft het werk niet altijd op den eigendomsovergang te volgen. Op dit punt heeft Mr. Thorbccke2) gelijk, waar hij beweert, dat art. 61 een dergelijke mogelijkheid voorziet.

Intusschen geloof ik niet, dat men de kwestie aldus mag stellen. Want de vraag of door een zekere onteigening aangrenzende gronden in waarde zullen verminderen hangt af in laatste instantie van de waardeering door het publiek. Bij de vaststelling der schadeloosstelling moet de rechter zich doen voorlichten door deskundigen, die in dit opzicht beschouwd kunnen worden de publieke opinie te vertegenwoordigen. En nu wil het mij voorkomen, dat dit publiek zich al heel weinig hierbij zal laten leiden door de uitspraak van philosophen, of er al dan niet een causaal verband bestaat tusschen den eigendomsovergang en den aanleg

1) Edmotul Picard — Zie de „Pandeetes Beiges" tome XLI 1892 p. 30 no. 68 — geeft hiervan een juiste voorstelling, waar hij zegt, dat door de spoorwegwet de wettelijke servituten wel in het leven geroepen worden, maar verkeeren in een latenten toestand. Deze wordt in een aktieven omgezet door den aanleg van de spoorbaan.

2) Zie hierboven zijn tweede argument.

Sluiten