Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onteigening kan het werk niet aangelegd worden en zoodra de onteigening heeft plaats gehad dringt de bepaling van art. 61 tot het aanleggen, daar de onteigenende voor dien tijd zich niet volkomen vrij eigenaar kan voelen.

Een ander iurist, Edmond Picard ') vindt dan ook, dat men niet mag beweren, dat de onteigening wel is de „occasion", maar niet de „cause", omdat deze reden te specieus is.

Ook een wetgever, n.1. de Pruisische, steunt de opvatting van den Hoogen Raad. De wet van 17 Juni 1874 gaat van dezelfde grondbeginselen uit als onze wet. Ook hier heeft § 1 slechts de onteigening van onroerend goed op het oog ter uitvoering van een werk en ook tegen volledige schadeloosstelling. § 8 al. 2 bepaalt evenals bij ons art. 41, dat de mindere waarde vergoed zal worden, welke door den afstand van het onteigende deel ontstaat voor het overige grondbezit. Anders als bij ons vindt men echter een nadere aanwijzing in § 31 voor hetgeen men onder het causaal verband moet verstaan: „Wegen solcher nachtheiligen „Folgen der Enteignung, welche erst nach dem im § 25 gedachten Termine erkennbar werden, bleibt dem Entschadi„gungs Berechtigten bis zum Ablauf von drei Jahren nach „der Ausfiihrung des Theiles der Anlage, durch welche er „benachtheiligt wird, ein im Rechtswege verfolgbarer per„sönlicher Anspruch gegen den Unternehmer."

Dit artikel leert ons, dat het nadeel voortvloeiend uit de „Ausfiihrung der Anlage" beschouwd wordt te behooren tot de „nachtheiligen Folgen der Enteignung".

Denzelfden strijd, dien wij in ons land zien tusschen

4) Zie de Pandectes Beiges XLI (1892) n°. 632 en 633 p. 455.

Sluiten