is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over het arrest van den Hoogen Raad van 8 Juni 1906 omtrent artikel 41 der Onteigeningswet en over den omvang der bevoegdheid van het bestuur eener naamlooze vennootschap om haar te vertegenwoordigen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Duitsche jurisprudentie is hiermede in overeenstemming. 1) Aldus ook Layer, maar hij doet dit slechts noode, gedwongen als hij is door § 31 der Pruisische wet. Overigens voelt hij meer voor het standpunt, dat de Regeering innam en zooals ook aanvaard werd door de Oostenrijksche Spoorwegwet. Streng wordt hier onderscheid gemaakt tusschen schade tengevolge van de „onteigening" en die tengevolge van de „onderneming". 2)

Omdat Layer onder deze laatste ook brengt de schade, welke een gevolg is van den aanleg van het werk3), valt het hem moeilijk deze schade als het noodzakelijk gevolg der onteigening te beschouwen. De causale samenhang wordt dan volgens hem bedenkelijk uitgebreid; want de schade behoeft in dit geval niet een onmiddellijk gevolg der onteigening te zijn, maar voldoende is het, dat zij middellijk gevolg is.

Hier schijnt bij hem dezelfde gedachte voorgezeten te hebben als Mr. Thorbecke had. Deze ging echter nog verder door te beweren, dat een zeker gevolg niet noodzakelijk uit iets kan voortvloeien, wanneer tusschen beide nog een andere oorzaak aan te wijzen is. 4)

Bij de bestrijding van een dergelijke meening geloof ik te kunnen volstaan met te wijzen op het kunnen bestaan van een „oorzakenreeks". De laatst toetredende oorzaak brengt wel de geheele reeks van oorzaken in beweging, welke gezamenlijk een zeker gevolg te weeg brengen, maar

') Zie t. a. p. Layer blz. 530.

2) Zie t. a. p. Layer blz. 533.

3) Zie blz. 529.

4) Zie zijn tweede argument.

3