Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarom behoeft deze — „causa movens" laat ons zeggen — nog niet in tijds- en volgorde onmiddellijk aan het gevolg vooraf te gaan. Duidelijk komt dit aan het licht bij het onderzoek naar den schuldige in een geval in het strafrecht welbekend. Iemand n.1. had, om een dief te betrappen een geladen geweer zoodanig achter een deur van een bergplaats neergezet, dat de binnentredende dief door het afgegane schot gedood werd.

Ook de woorden van art. 41 der Nederlandsche Onteigeningswet staan onze opvatting niet in den weg, welke slechts van een noodzakelijk gevolg der onteigening gewagen en niet van een direct gevolg. ')

Bovendien kunnen wij nog een argument putten uit de geschiedenis van art. 41, zooals wij hieronder zullen zien. L>)

In den gedachtengang intusschen van den Hoogen Raad ligt het zwaartepunt in een onafscheidelijk verband tusschen de onteigening in engeren zin en de ten uitvoerlegging van het werk, haar doel. Samen vormen zij één rechtsfiguur, de onteigening in ruimeren zin.

Dat verband moge doelverband heeten eerder dan causaalverband — dat er een hechte band bestaat kan men dunkt mij niet ontkennen.

In dezelfde richting schijnt zich ook in België zoowel de jurisprudentie als de litteratuur 3) te bewegen. De schade-

*) Twijfel kan zich voordoen in het verbintenissenrecht, waar art. 1284- B. W. spreekt van een „onmiddellijk en dadelijk gevolg . ^gl. Mr. C. Asser „Handleiding tot de beoefening van het Nederlandsch Burgerlijk Reoht". Zwolle, 1905, Deel III eerste stuk, blz. 147.

2) Zie blz. 41.

3) Le Bon Ch. del Marmol zegt in zijn „Traité de 1' expropriation pour cause d'utilité publique en Belgique" 1869, Tome II n°. 372 p. 190:

Sluiten