Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen bleek spoedig na de invoering der nationale wetgeving, dat het in de bedoeling van den wetgever lag zich nog verder van het Oud-Hollandsche recht te verwijderen. Werd in 1834 het concessiesysteem — later veranderd in een onschuldige goedkeuring door den Koning — aanbevolen op grond, dat toekomstige deelnemers dan meer vertrouwen konden stellen in een naaml. venn., maar tevens als waarborg voor derden, — hierbij doelend op de beperkte aansprakelijkheid der leden, ') — bij de behandeling der wet 2) van 22 April 1855 (stb. n°- 32) vond men datzelfde beginsel bij de zedelijke lichamen een „gevaar voor de openbare orde", indien niet voortdurend toezicht op zoodanige lichamen gehouden kon worden. 3)

Die wet van 1855 regelt thans de verkrijging van rechtspersoonlijkheid voor de vereenigingen van personen, welke door het Burgerlijk Wetboek „zedelijke lichamen" werden genoemd. De anderen vallen hierbuiten. Sommige categorieën worden uitdrukkelijk in art. 14 vermeld, waaronder de vennootschappen van koophandel.

De naaml. venn. kan zoodoende niet volgens de wet van 1855 rechtspersoonlijkheid verkrijgen. Maar kan zij daarom nooit rechtspersoon zijn? Ook de Coöperatieve \ereeniging

oudtijds in de Vereenigde Nederlanden somroige geoctrooieerde maatschappijen bestonden, welke door de uitdrukkelijke toelating van den Souverein werden ingesteld; doch de naaml- venn. zooals die thans zijn ingericht, zouden toenmaals noch in deze landen, noch zelfs in Frankrijk bekend zijn.

') Zie de Mem. v. Toel. bij Voorduin VIII blz. 173.

2) „Tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering".

3) Zie de Mem. v. Toel. in Bijl. Hand. 2de Kamer 1854/1855.

Sluiten