Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men moet zoodoende besluiten, dat uit de wet van 1855 niets af te leiden is omtrent de rechtspersoonlijkheid der naaml. venn. Van de vereischten, die men aan een rechtspersoon stelt, hangt het af, of een naaml. venn. als zoodanig mag aangemerkt worden. Deze moeten aan de regelen der wet getoetst worden, die in de artt. 32 vlg. van het wetboek van koophandel de naaml. venn. heeft uitgebeeld.

Zonder mij te begeven in een diep onderzoek naar het eigenlijk wezen van een rechtspersoon, meen ik bij deze toetsing te mogen volstaan met te vragen, of de wet aan een naaml. venn. een zelfstandig bestaan heeft verzekerd onafhankelijk van dat der individueele constitueerende elementen.

Ons antwoord kan niet anders dan in bevestigenden zin luiden. Het lot der individueele vennooten, mits deze aan hunne verplichtingen hebben voldaan, heeft geen invloed op het bestaan der vennootschap. Zij blijft een eigen naam bezitten, waarin haar doel moet uitkomen. ') Ook heeft

') Steeds moet een „handelsonderneming" beoogd worden volgens art. 36 W. v. K. vgl. Mr. II E. Bles „Vereenigingen en Naamlooze Vennootschappen in hare behandeling aan het Departement van Justitie" 's Gravenhage, 1903. Tweede druk. blz. 69.

De wet blijft in de naaml. venn. zien een „vennootschap" ten doel hebbend het behalen van winst met een bijeengebracht kapitaal, vgl. het arrest van den H. B. van 27 Mei 1898 w. 7128 jo. art. 1655 B. W.

Bij de rechtspersonen der wet van 1855 wordt de vergunning om als éénheid op te treden gevraagd voor een „vereeniging" in engeren zin, waarbij het bejagen van economische winsten niet op den voorgrond treedt. Mr. J. 6. Kist „Beginselen van Handelsregt volgens de Xederlandsche wet" Amsterdam, 1875, deel III, wil op blz. 163 de naaml. venn. geen rechtspersoon noemen, omdat winstbedrag haar doel is. Sedert de wetgever zelf de Coöperatieve Vereeniging, welke toch ook het

Sluiten