Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vennootschap en haar bestuur een verhouding van lastgeving aanwezig te oordeelen. In 1901 besliste de Hooge Raad nog uitvoerig, dat zij geacht moet worden verstrekt te zijn door de gezamenlijke aandeelhouders overeenkomstig de statuten „waarbij de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat „eene minderheid overstemd wordt".

Maar is dit niet een zeer eigenaardige lastgeving, waar een der partijen een vennootschap is, die eerst nadat het contract is aangegaan zich met anderen als éénheid in verbinding kan stellen?

Intusschen komt een dergelijke interpretatie der wet overeen met vele buitenlandsche wetgevingen, waaronder in de eerste plaats Frankrijk is te vermelden. Art. 31 van den Code de Commerce noemde de bestuursleden uitdrukkelijk „mandataires"; thans is dit vervangen door het gelijksoortig artikel 22 van de wet „sur les sociétés" van 24 Juli 1867 ').

Ook in Engeland en Amerika neemt de jurisprudentie aan, dat de bestuurderen „agents" van de vennootschap zijn. Maar deze lasthebbers zijn van een bijzondere soort. In zekeren zin zijn ze tevens „trustees" 2).

In Duitschland schijnt de jurisprudentie zich op dit punt nog niet uitgesproken te hebben. Wel verklaarde zij, dat het bestuur niet de „Principal" is der naaml. venn., evenmin als het haar „Handlungsgehülfe'' is 3). Maar de

1) Vgl. Lyon-Caen et Renault II w. 817.

2) Zie voor Engeland Thomas Brett „Commentaries on the present laws of England" London, 1890. Vol. II, Book V, Chap. XI, p. 619. Voor Amerika zie t. a. p. Andrews blz. 584.

*) Zie de Entscheidungen van het Reichsoberhandelsgericht, deel 13 n°. 64; 19 n°. 18 en 19; en die van het Reichsgericht in Zivilsachen n°. 7 p. 77.

Sluiten