is toegevoegd aan uw favorieten.

Iets over het arrest van den Hoogen Raad van 8 Juni 1906 omtrent artikel 41 der Onteigeningswet en over den omvang der bevoegdheid van het bestuur eener naamlooze vennootschap om haar te vertegenwoordigen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontvangt de directeur geen loon, dan zal men met prof. Land het bestaan van een innominaat contract naast de lastgeving moeten aannemen. Welke wetsbepalingen hiervoor gelden is onduidelijk, maar men zou b.v. naar analogie der dienstverhouding een verhouding van ondergeschiktheid niet mogen miskennen ').

Daarom ook kan, naar mijn bescheiden meening, de algemeene verhouding van het bestuur tot de naaml. venn. niet vergeleken worden met een voogdij 2). Hierin wordt immers het bestaan verondersteld van een onmondige, wiens belangen door bekwame personen onafhankelijk van zijn eigen wil worden behartigd. In de praktijk nu zal het wel vaak voorkomen, dat het bestuur eener naaml. venn. krachtigen invloed uitoefent op den wil der vennootschap, maar in laatste instantie is het steeds onderworpen aan hare bevelen. De wet bepaalde zelfs uitdrukkelijk in art. 44 al. 2, dat de vennootschap haar macht op dit punt niet uit handen mag geven.

Vraagt men nu hoe de verhouding dan wel genoemd moet worden, dan meen ik het meest bevredigende antwoord

') Art. 1403 B. W. zou dan b.v. van toepassing zjjn. De Amsterdiimsche rechtbank besliste reeds in dezen geest bij haar vonnis van den 17 Maart 1905 w. 8266.

-) Aldus prof. Land in het eerste deel van zjjn werk op blz. 514 en vlg. Vgl. ook Mr. 6. Diephuis „Het Nederlandsch Burgerlijk Begt" Groningen. 1869. Deel I, blz. 375 en Dr. H. Krabbe „Die Lehre der Kechtssouveranitüt" Groningen, 1906 blz. 200. Voor Duitschland ook 1/ernbury t. a. p. Deel I blz. 473, die de bestuurders de „gesetzliche Vertreter" — zie de beteekenis hiervan op blz. 472 — noemt naar analogie van de verhouding der zedelijke lichamen uit het B. G. B. en hun bestuur. Want § 26 geeft volgens hem een algemeenen regel.