Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenden of kennen moesten '); bij de naaml. venn. is men nog verder gegaan. Zoowel de algemeenheid der woorden van § 235 al. 2 van het Duitsche handelswetboek als haar geschiedenis s) doen de jurisprudentie tot een mime interpretatie besluiten. Al wist de derde af van de onbevoegdheid van het bestuur, dan nog is de handeling volkomen geldig. Slechts voor het geval van samenspanning tusschen den derde en het bestuur heeft de naaml. venn. de exceptio doli s). Op grond van de geschiedenis schijnt ook het doel der vennootschap niet beslissend te zijn. Immers in de Neurenberger Conferentie was men bang voor de vaagheid van uitdrukkingen als „Geschaftskreis" en „Gegenstand des Unternehmens"4). Slechts wettelijke beperkingen moeten door ieder in acht genomen worden.

Door een zoodanige regeling zou ook in Duitschland het belang van vennooten te veel afhankelijk kunnen schijnen van het bestuur, maar men vergete niet, dat door andere voorschriften gewichtige waarborgen aan de vennooten gegeven worden. In de eerste plaats dient genoemd de uitvoerige regeling omtrent de algemeene vergadering, waardoor de aandeelhouders te allen tijde hun grieven in het hoogste college der vennootschap kenbaar kunnen maken en het bestuur ter verantwoording kunnen roepen.

') Vgl. § 167 al. 2, § 169 en § 173 B. G. B. en Dcrnburt/ § 164 blz. 476—479.

2) Zie hierover uitvoerig Achilles Renaud „Das Kecht der Aktiengesellschaften" 2e druk, Leipzig, 1875 blz. 573 vlg.

3) Zie het B. O. H. 5 n°. 64; 6 n°. 27; en het B. G. 9 p. 148; 22 p. 75; en verder Renaud p. 583 nooten 30 en 31.

*) Zie t. a. p. Renaud blz. 582. Vgl. voor een gewijzigde opvatting t. a. p. Cosack § 116 I 3b en het B. O. H. 24 n°. 58.

Sluiten