Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bovendien is er voor gezorgd, dat in elke vennootschap een college van commissarissen aanwezig is, waarin afgevaardigden der vennooten ten plicht hebben op het beheer van het bestuur voortdurend toezicht uit te oefenen en waarvoor zij tegenover de vennootschap aansprakelijk gesteld worden.

Op één punt komt mij echter de Duitsche regeling ongewenscht voor, waar n.1. de jurisprudentie een verbonden zijn der vennootschap aanneemt ook voor het geval de derden van de onbevoegdheid der bestuurderen afwisten. De vennootschap blijft de mondige vertegenwoordigde. De directie is slechts haar gedienstige vertegenwoordigster. Wisten nu derden, dat het bestuur tot een voorgenomen handeling onbevoegd was, dan is hier geloof ik het vermoeden geoorloofd, dat die derden ten deele althans het risico der niet-ratihabitie hebben willen dragen. Het Duitsche stelsel kan aanleiding geven dat tot samenspanning tusschen een derde en het bestuur van den kant van derden gemakkelijker overgegaan wordt. Het door de vennootschap te leveren bewijs van dolus is dikwijls moeilijk.

Het voorgaande in aanmerking genomen, komt mij daarom de regeling van het Deensche ontwerp van wet') op de naaml. venn. van 1901 doelmatig voor. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur is naar buiten onbegrensd, maar niet absoluut. § 42 zegt, dat iedere beperking in den omvang dier bevoegdheid, welke niet op de wet gegrond is, tegenover derden ongeldig is, wanneer zij haar niet kenden of kennen moesten. -) Men zie dan in een

*) Besproken in het Z. f. d. g. H. n°. 51 (1902) blz. 612.

2) De bescherming aan derden verleend behoort daarom niet te gelden voor individueele vennooten of commissarissen. Vgl. voor de

Sluiten