Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van te behalen voordeel geen schenking: „neque enim „pauperior fit, qui non acquirit" (1. 5, § 13 IJ. 24, 1); juist daarom worden bewaargeving, bruikleen en verbruikleen, handelingen, welke zonder twijfel in liberaliteit haren oorsprong kunnen vinden, niet als schenking aangemerkt en op grond ook van deze verarming is de wet der schenking minder gunstig gezind en heeft zij haar in onderscheidene harer bepalingen belemmeringen in den weg gelegd, die men ook reeds aantreft zoowel in het Romeinsche, als in het oud-Germaansche recht, waar men haar a. o. aan velerlei lastige formaliteiten onderwierp.

Staat alzoo vast, dat de schenker zich moet verarmen, de begiftigde moet daarentegen door de schenking worden verrijkt : zijn vermogen moet een vermeerdering ondergaan. Alzoo moet er eenig bestanddeel uit het vermogen van den schenker overgaan in dat van den donataris. Reeds gold dit voor het oude costumiere recht op grond van den rechtsregel: „donner et retenir ne vaut", hetwelk beduidde, dat schenking diende gepaard te gaan met feitelijke levering, waardoor de begiftigde, die door aanneming eigenaar werd der geschonken zaak, alzoo werd verrijkt. Ook voor het oud vaderlaudsch recht vindt men voor de schenking een overgang van een zaak in den eigendom van den begiftigde vereischt. De Gkoot ') geeft nl. van schenking de volgende omschrijving:

„Schenkinge is eene toezegging, waardoor iemand aan

') Inlevdinge III, 2, § 1.

Sluiten