Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar nu schenking steeds eene handeling is tusschen twee partijen, duidt dus de animus donandi op de wilsovereenstemming van partijen eenerzijds om zich te verarmen , anderzijds om verrijkt te worden.

Art. 1703 B.W. nu, hetwelk spreekt van de schenking als van eene overeenkomst, voor welker tot-stand-koming de wilsovereenstemming nimmer kan worden gemist, houdt dus van zelf het vereischte van den animus donandi in.

Tot hiertoe zagen wij, dat de schenking van art. 1703 B.W. aan alle vereischten voor het schenkingsbegrip, door von Savigny gesteld, voldoet; thans komen wij aan de bijzondere kenmerken voor het oudere, formeele schenkingsbegrip, door Prof. Hamakek genoemd: de overeenkomst en de afstand om niet.

Dat schenking zich op verschillende manieren kan voordoen, is duidelijk.

„aan hare dienstbode het weekgeld heeft toegezegd, niet om haar dit „te schenken, maar om dit te doen strekken tot betaling van hetgeen „zij meende voor bewezen diensten aan die dienstbode rechtens verschuldigd te zijn, en indien zij daarbij in dwaling heeft verkeerd, dan „moge hare handeling zijn geweest eene onverschuldigde betaling of „in solutum datio, dan heeft zij toch niet gehad, wat v. Savigny „(Syst. IV p. 77) noemt „„die auf die Bereicherung gerichtete Absicht,"" „dan is niet bewezen hare bedoeling om te geven om niet, haar animus „donandi, zonder welken geene schenking bestaat."

Alle nadruk wordt hier voor de beoordeeling der schenking gelegd op de verwijderde motieven, welwillendheid of besef van zedelijke verplichting, niet op de wilsovereenstemming van partijen.

Het Hof te A'dam daarentegen nam in zijn Arrest van 22 Febr. 1899 (W. 5700) aan, dat de toezegging eener geldsom ter zake van bewezen diensten te beschouwen is als een gift.

Sluiten