Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich verbindt, zonder dat van een feitelijken koop ook maar een oogenblik wordt gerept. De bedoeling van den wetgever, die art. 894 C.C. neerschreef, was dan ook geen andere, wij zeiden het reeds, dan om aan de opvatting van de schenking als van een „modus acquisitionis" een einde te maken, waartoe hij uitdrukkelijk de scheukiiig als overeenkomst erkende, zooder er bovendien van te gewagen, dat zij ook door feitelijken afstand kon plaats grijpen, hetgeen hij niettemin stilzwijgend erkende, terwijl onze wetgever niets anders deed dan getrouw dit voorbeeld navolgen. Wel geeft de redactie van ons art. 1703 B.W. aanleiding om in de omschrijving uitsluitend te lezen de schenking door feitelijken afstand, aangezien zij toch luidt, dat door den schenker eenig goed wordt afgestaan ten behoeve van den begiftigde, die hetzelve aanneemt, en dit in tegenstelling met hetgeen men leest in de definities van koop en ruil; doch een letterlijke opvatting zoude niet stroken met de bedoeling van onzen wetgever. Eerstens blijkt dit uit de geschiedenis; in de tweede plaats wordt in de verdere artikelen onzer wet gesproken van het aannemen der schenking en niet van het geschonkene (de artt. 1717, 1720, 1721 en 1722 B.W.), zoodat de woorden „die hetzelve aanneemt" in art. 1703 B.W. ontwijfelbaar bedoeld moeten zijn als niet terug te slaan op „goed", doch op het aanbod van den schenker; en in de derde plaats kent onze wet geen andere overeenkomsten, dan die, waaruit verbintenissen voortvloeien.

Behalve dan uit de uitdrukkelijke bepaling van art.

Sluiten