Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„I. tot de zaken, die hij, geheel of gedeeltelijk, rechtstreeks aan zijne heerschappij heeft onderworpen „(Zakenrecht), of

„II. tot andere menschen, die zich jegens hem tot vermogensrechtelijke praestatiën hebben verbonden „ (Verbintenissenrecht)".

Volgens Asser ') heeft men onder het begrip vermogen te verstaan „datgene, waarvan men eigenaar is, of waarop „men eenig ander zakelijk recht uitoefent, vermeerderd „met hetgeen men van anderen kan vorderen en hetwelk „op geld waardeerbaar is, doch verminderd met datgene, „waartoe men jegens anderen verplicht of wat men aan „anderen verschuldigd is".

Bij beide rechtsgeleerden is er dus met opzicht tot het begrip vermogen sprake van een complex van stoffelijke goederen en rechten. Arbeid alzoo, als zijnde noch een stoffelijk goed, noch een recht, valt buiten het vermogensbegrip van onze wet. Wil men deze echter als een vermogensbestanddeel beschouwen, dan dient men het vermogensbegrip ruimer, d. w. z. in economischen zin te nemen.

Niettemin is het kosteloos verrichten van arbeid ten behoeve van een ander, schenking naar burgerlijk recht; immers heeft arbeid wel gebruikswaarde en staat hier de arbeidsverrichter die waarde af, zonder een aequivalent daarvoor te ontvangen. Alzoo is hier wel sprake van een

') T. a. p. I, blz. 94.

Sluiten