Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verarming van don schenker tegenover eene verrijking van den begiftigde, zonder dat echter aan eenige vermindering in het burgerrechtelijk vermogen van den schenker valt te denken.

Het is duidelijk, dat deze omstandigheid van invloed kan zijn op de toepasselijkheid van eenigen schenkingsregel, o. a. van dien, welke beoogt eene opheffing van een voor de schuldeischers nadeelige handeling.

Voor de crediteuren toch is alleen het vermogen in burgerrechtelijken zin een waarborg voor de nakoming der verplichtingen door hunnen debiteur en waar nu de kostelooze arbeidsverrichting ten behoeve van een ander dat vermogen niet aantast, kunnen de schuldeischers zich over eene dergelijke handeling van hunnen debiteur ook niet beklagen.

Thans nog het derde en laatste vereischte, de animus donandi, of zooals von Savigny het uitdrukt: de wil van den een moet gericht zijn op de verrijking van den ander door eigen verlies; ik zoude er aan toe willen voegen, dat deze andere de wil moet bezitten om verrijkt te worden ten koste van den schenker, aangezien niemand kan worden gedwongen eene verrijking tegen zijn wil te aanvaarden.

Men hoede er zich voor aan dit vereischte veel gewicht te hechten. Zooals reeds uit het vorige Hoofdstuk bleek, heeft men er niets anders onder te verstaan dan de wilsovereenstemming van partijen, die volstrekt geen bijzonderheid kan heeten, zoolang men aanneemt,

Sluiten