Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer de aanneming ontbreekt, van zaakwaarneming. En terecht. Zoolang toch de in die handeling gelegen verrijking van den debiteur door dezen nog niet is aanvaard , aangezien hem de bedoeling om te schenken niet bekend is, zoolang kan bezwaarlijk van eene schenking worden gesproken. Men betaalde en ontving voor den debiteur, doch deze acht zich nog niet ontslagen van zijn schuld, zoolang hem nog niet is gebleken van de bedoeling om hem te verrijken.

Daarom acht ik de aanneming wel degelijk noodzakelijk voor het tot standkomen eener schenking, met dien verstande evenwel, dat van die aanneming niet steeds op positieve wijze behoeft te blijken.

Om de noodzakelijkheid hiervan in te zien, herinner ik aan een ander vereischte voor de schenking gesteld, n.1. den animus donandi, de wilsovereenstemming van partijen, waaruit de aanneming van zelf voortvloeit. Eune verrijking kan den begiftigde toch niet tegen zijn zin worden opgedrongen: „non potest liberalitas nolenti „acquiri", luidde reeds de Romeinsch-rechtelijke regel.

In de nieuwere wetgeving, gelijk die van het Duitsche rijk, wordt dan ook de aanneming als vereischte voor de schenking aangenomen. Het eerste lid van § 516 van het Bürgerliches G-esetzbuch für das Deutsche Reich luidt: „Eine Zuwendung, durch die Jeinand aus seinem Ver„mögen einen Anderen bereichert, ist Schenkung, wenn rbeide Theïle dariiber ciniy sind, dasz die Zuwendung „unentgeltlich erfolgt".

Sluiten