Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meening, welke kan worden verdedigd met oen beroep op de regeling in het Ontwerp 1820, waar in don Achtsten Titel van het Eerste Boek onmiddellijk na do regeling van het huwelijks goederenrecht gesproken wordt van schenking tusschen echtgenooten — hoe het ook zij, in beide gevallen is het verbod gegrond op hot economisch gevolg dor handeling, nl. dat do cono echtgenoot verrijkt wordt ten koste van den anderen.

Eeno schenking alzoo, gedaan in strijd met de verbodsbepaling van ons art. 1715 is nietig, d w. z. zij is, zooals Mr. van Hamel leort, met oen nulliteit behept.

Is nu dit gevolg ook aan te nemen in al do gevallen waarin een verrijking van den oenen echtgenoot ton koste van don anderen plaats heeft? M. i. wel:

1°. omdat dit roods voortvloeit uit do reeds bovengenoemde

artikelen 174, 2Ü lid, 204 011 2)2 B W.; on 2°. omdat de ratio juris zich niet verzet togen cene uitbreiding van art. 1715 B.W. ook tot dit geval. Do vrees toch voor het aanwenden van verkeerden invloed van den eenen echtgenoot op den anderen is in hot geval eonor schonking naar het ruimere begrip al cveazeer te duchten als in dat eoner forineele schenking.

Art. 1716 B. W. houdt het voorschrift in, dat men 0111 bij wego van schenking voordeel te genieten, moot bestaan op hot tijdstip, waarop do schenking heeft plaats gehad, met inachtneming van het bepaalde bij art. 13 B. W.

Sluiten