Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij wil, voor zoover hem dit niet uit anderen hoofde kan worden belet.

Dit zoude er toe leiden aan de uitdrukking „gift" een zoo beperkt mogelijke beteekenis toe te kennen en dus de schenking hier in engeren zin op te vatten, hetgeen juist een miskenning zoude zijn van de bedoeling van den wetgever. De legitieme portie is ten onzent dan ook niet een „schuld', welke uit de nalatenschap zal moeten worden voldaan, hetwelk medebrengt, dat de eigenaar reeds bij zijn leven niet op zoodanige wijze over zijn vermogen mag beschikken, dat het eene werkelijke vermindering onderga, zoo aanzienlijk, dat de voldoening deivolle schuld uit de nagelaten goederen onmogelijk wordt. Integendeel de eigenaar heeft de volle beschikkingsbevoegdheid over zijn gelieclc vermogen, terwijl daartegenover aan de legimitarissen het recht is gegeven oin na zijn dood op te komen tegen zoodanige beschikkingen, hetzij bij acte onder de levenden, hetzij bij testament, waardoor zij in hun wettelijk erfdeel worden benadeeld. Noodzakelijk zal hieruit dus moeten volgen, dat elke acte van vrijgevigheid, in welken vorm ook tot stand gekomen, welke nadeel doet aan het wettelijk erfdeel, onder de uitdrukking „gift" in art. 960 zal moeten worden begrepen. Dit blijkt, dunkt mij, bovendien ook hieruit, dat volgens dat artikel, waar het betreft de beschikkingen bij uitersten wil, elke making, die de legitimarissen benadeelt, verboden is. Met de ratio juris is het dus alleszins in overeenstemming hier te denken aan schenkingen onder de

Sluiten