Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alzoo kan in do verwerping eener erfenis ten behoeve van een auder eene schenking gelegen zijn; dit behoeft echter niet het geval te zijn. Is er schenking in gelegen, dan kunnen de schuldeischers, mits zij het bewijs leveren, dat de verkrijger bekend was met het schenkingsoogmerk van den verwerper, zich op de artikelen 1.577 1 } g w. en 44—4t> F- W. beroepen om de nietigheid der handeling in te roepen. Ligt er geen schenking in besloten, dan is er tweeërlei beroep mogelijk: in de eerste plaats kunnen de crediteuren een beroep doen op art. 1377 1° lid B.W. of op de artikelen 42 en 43 F. \V., en vervolgens zal ook het bijzondere middel van art. 110< B. W. >) hun de noodige uitkomst kunnen geven. En dit alles dunkt mij dan ook billijk.

Immers: is er schenking, ontleent dus de verkrijger zijne rechten op de verworpen erfenis niet uitsluitend aan den wil van den wetgever' of aan dien van den erflatei, maar is het de wil van den verwerper, die het den verkrijger mogelijk maakt om zijne rechten, gegrond op de wet of op eenig testament, te doen gelden, en is de verkrijger zich hiervan bewust, dan is het ook billijk, dat de crediteuren van den verwerper ontslagen zijn van het bewijs, dat de verkrijger wist van het uit de verwerping

•) Diephuis blz. 451 meent tn. i. ten onrechte dat de bijzondere bepaling van dit artikel de toepasselijkheid van art. 1377 B.W. uitsluit. In de Mem. v. Toel. op het Ontwerp F.W. wordt onder de handelingen van liet overeenkomstige art. 42 F.W. ook gewaagd van de verwerping eener erfenis.

Sluiten