Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortvloeiende nadeel, aangezien door de vernietiging der handeling niet zoozeer nadeel wordt toegebracht , als wel een onverwacht voordeel niet wordt genoten. Is de verkrijger daarentegen onbewust van de bedoelingen van den verwerper, kan er niet aan eenigen band tusschen hen beiden worden gedacht en ontleent dus de verkrijger zijne rechten direct aan wet of testament, dan gaat het niet aan, dat de scliuldeischers van een ander, tot wien hij in geenerlei betrekking staat, zijn vermogen zouden mogen aantasten, zonder bezwaard te zijn met het bewijs, dat hij, de verkrijger, wist of moest weten van de benadeeling, die voor hen uit de handeling voortvloeide. Ware toch voor de nietigverklaring dier handeling geen bewijs noodig van de kwade trouw van den verkrijger, dan zoude zij neerkomen op een benadeeling van dezen, zonder dat daarvoor eenige gegronde reden zoude kunnen

worden aangevoerd.

Een ander geval, dat moeilijkheden kan opleveren is het volgende, hetwelk wij ontleenen aan het proefschiitt van Mr. Liboürel : A heeft b. v. van een debiteur, wiens actief door zijn passief verre wordt overtroffen, te vorderen f 30.000.— en B f 10.000.—. Het actief van genoemden schuldenaar bestaat slechts uit een huis ter waarde van f20.000.— , waarop A een eerste en B een tweede hypotheek heeft. A doet nu afstand van zijn recht van hypotheek, waardoor B alzoo f 10.000. lijkei woidt; immers hun debiteur is insolvent.

Is hier sprake van eene schenking? A verarmt zich

Sluiten