Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan aanzienlijke werken en niet weinige fragmenten zijn overgebleven.*) Deze Joodsch-Hellenistische geschriften leeren ons, dat de vrome Joden zich van de Grieksche beschaving hebben bediend, om hun eigen geloof te veredelen en het voor de heidenen aannemelijk te maken. Het waren in de eerste plaats de Alexandrijnsche Joden, die zich tot de nieuwe cultuur aangetrokken gevoelden en hunne geestelijke erfenis er mee hebben verrijkt; Alexandrië toch was het hoofdcentrum van de moderne Helleensche beschaving. Wij weten echter, dat ook de Palestijnsche Joden zich niet aan de bekoring, die van het Hellenisme uitging, hebben kunnen onttrekken; de geschiedenis van den Maccabeeschen opstand is daar, om dat te bewijzen. Op elk gebied des levens drong de nieuwe Geest door en zelfs de Joodsche orthodoxie, die zich na den Maccabeeschen oorlog trachtte van eiken vreemden smet te zuiveren, heeft toch de wettische omheining niet zoo goedsluitend kunnen maken, dat niet nog kiemen van den gehaten Geest in haren tuin binnendrongen. Dat het Hellenisme in de Joodsche gemeente, die in het Vaderland gebleven was, zijnen invoed heeft doen gevoelen, staat buiten allen twijfel.

Het is echter de vraag, wanneer die invloed is begonnen. Zeker niet na het begin van de 2de eeuw voor Christus. Of wij verder mogen teruggaan, is bij gebrek

!) Cf. Freudenthal. Heilen. Studiën. Schtirer. III, 3e Aufiuge.

Sluiten