Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedane concessies, het betoog wel voor niemand meer zijn. Naar het mij toeschijnt, berust Pf.'s meening geheel op een' persoonlijken indruk. Wat dezen indruk betreft, zullen velen, die de bedoelde pericoop lezen, tot op zekere hoogte met Pf. mee kunnen gaan. Vooral, wanneer we meer letten op den geest van het geheele geschrift, dan op den samenhang met hetgeen onmiddellijk voorafgaat en volgt, dan is het wel „die fliessende Relativiteit" en „das fatale Succediren oder Oscilliren", dat als hoofdindruk bij ons achterblijft Maar, gesteld dit was de juiste interpretatie van onze pericoop, zou het dar: niet veel nader liggen, deze eigenaardigheid te verklaren uit den geestestoestand van den auteur, dan terstond aan vreemden invloed te denken? „Das Fliessende der Gegensatze", dat Pf. in deze verzen meent te ontdekken, wijst toch ook volgens hem niet op een' wijsgeerige reflectie, maar heeft zijn' laatsten grond in de „dtlsterpessimistische Grundstimmung" van den schrijver.

Trouwens, ik meen goeden grond te hebben, met Pf. in de uitlegging van deze pericoop van meening te verschillen.

Deze geleerde heeft zelf gevoeld, dat een andere opvatting mogelijk, zoo niet meer aannemelijk is. „Ich gebe zu" zegt hij „dass er in der Alternirung von Gutem und Schlimmem ausserst charakteristisch schwankt und abwagt; denn es ist meines Erachtens kaum ein Zufall zu nennen, dass genau siebenmal die positiven Gegensatzglieder vorangehen und sieben-

Sluiten