Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hypothese te redden, zijn toevlucht nemen tot de onderstelling, dat Prediker, met verschillende schrijvers uit de oudheid, dit fragment onjuist heeft geïnterpreteerd. Mij dunkt, Pf.'s afleiding wordt door dit alles zeer onzeker. Ook al acht men de verkla. ring aannemelijk, dat Prediker hier het oog zou hebben op een soort damspel, dan zal men toch nog van een' bepaalden samenhang met het fragment van Heraclitus moeten afzien.*)

Met de pas besproken pericoop hangt vers 11 ten nauwste samen : rHij (n 1. God) heeft alles schoon gemaakt op zijnen tijd, ook heeft Hij hun (n.1. den menschen) de oldm in het hart gelegd, zonder dat de mensch het werk, 't welk God gemaakt heeft, van het begin tot het einde omvatten kan." Vers 11a is volgens Pf. bijna woordelijk ontleend aan een fragment van Heraclitus: r« fit» 0-tw *«/„« na»ra xai ccyafra xai Sixaia d»&Q(onoi df a (iiv ridixa vnfihi/cpuGiv & 8f dixaiat) „Wir haben keinen Grund zu zweifeln" zegt Pf. „dass dies letztere heraklitische Wort im Original eben an eine Besprechung von Krieg und Aehnlichem sich knüpfte. Alsdan ist der Tenor der Gedanken bei Heraklit völlig derselbe wie bei Kohelet, indem beide vom Krieg übergehen zu dem Satz. dass dem Gotte alles schön sei, wie der Heide sagt, oder dass Gott alles zu seiner Zeit schön gemacht habe, wie der theïstische Hebraer sich natürlich lieber ausdrückt."

J) Cf. ook Menzel. De Graecis S. 34.

3) Fragm. 102.

Sluiten