Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkelijk spreekt over het „Jenseits' en zoo ja, of *iij dat doet in termen, die ons aan de filosofie van 'Jeraklitus doen denken. Wat vers 17 betreft; hier »aat Prediker niet met zijn' gedachten buiten de jrenzen van dit leven. „God za^ zef?t hij „goeden in boozen richten." Waarop grondt hij dat geloof? Er is een tijd voor elke zaak en voor alle werk." )oelde de schrijver op een gericht in het hiernamaals, tan zou hij niet zonder meer terugwijzen naar vers i—8, waar slechts sprake is van gebeurtenissen, die pnder de zon" geschieden.

Anders staat het met vers 21: „Wie weet, of de gest der menschenkinderen opwaarts stijgt naar boven a de geest der dieren neerdaalt in de aarde?" Deze septische vraag onderstelt bij den schrijver de kennis Mn een zeker onsterfelijkheidsgeloof; anders toch had dze onderscheiding van menschen en dieren geen zinx). laar moet hij dat juist van Heraklitus hebben geleerd? F. vestigt de aandacht op de overeenkomst van het Bbreeuwsche pn1? nuoS nrrn nSya1? nSyn en het Grieksae (resp. Heraklitische) ódos aixo xarco; maar hij acht d«e toch te vaag, om er iets uit af te leiden. Pf. heft gevoeld, dat zijn' overtuiging alleen dan eenigen gind heeft, wanneer we in onze pericnop een' uitdikking vinden, die aan fragment 27 is ontleend. Di zou volgens hem het geval zijn met het Hebreeuwsce oisn -inio2), waarin de Tübinger geleerde een

Cf. Menzel. De Graecis ....

3:19.

Sluiten